In de begindagen van de fotografie waren fotografen meer wetenschapper en chemicus dan artiest. Er werd gewerkt met bijzondere en vaak gevaarlijke chemicalieen, terwijl dragers als glas en metaal zelf ook niet erg praktisch waren. Niet voor niets zijn veel van die oude technieken dan ook uitgestorven.

Blikken foto's

Om te kunnen fotograferen, was niet alleen een relatief dure camera nodig, je moest ook over de nodige kennis en kunde beschikken om de foto te kunnen prepareren en ontwikkelen. Als je een foto van je zelf wilde, moest je naar een fotograaf toe. Tussen 1860 en 1895 waren ferrotypieën, ook wel tintipieën genoemd, de goedkoopste vorm van fotografie. De foto's werden gemaakt op kleine blikken plaatjes en konden niet worden gereproduceerd. Een ander nadeel was de beperkte tonaliteit van ferrotypieën, deze liep van middengrijs tot zwart in plaats van wit tot zwart.

 Omdat de ferrotypieën direct voor het fotograferen geprepareerd moeten worden en na het fotograferen ook weer meteen moeten worden ontwikkeld, reisde fotografen vaak met paard en wagen. Zo gingen ze van dorp naar dorp om narcistische inwoners op de gevoelige plaat vast te leggen.

Veel fotografen werkten ook toen al met een assistent. Deze kon dan in de paardenkar de metalen plaatjes voorbereiden en ontwikkelen, terwijl de fotograaf zijn aandacht volledig kon richten op het maken van de foto's.

Foto: Photohistory Sussex

Michael Schindler

Collodionfotografie zien we zo af en toe nog wel eens voorbij komen, maar we hadden niet verwacht dat er nog fotografen zijn die zich bezighouden met ferrotypieën. Nuja, fotografen... Michael Schindler is waarschijnlijk de enige fotograaf die in zijn studio nog authentieke foto's kan maken op blikken plaatjes. Na twintig minuten sta je weer buiten met je unieke fotografische object en de prijs van zestig dollar is ook nog te overzien. Daar hebben we de prijs van een vliegticket naar San Fransisco nog niet bij opgeteld, want Schindler's studio ligt helaas niet echt om de hoek.