Filmen voor fotografen deel 6: Beweging
Filmkijkers zijn baby’s. Ze willen rondgedragen worden door hun moeder en zonder inspanning alles zien. Maar baby’s – en mensen uit het sociale media-tijdperk – zijn niet in staat lang de aandacht bij iets te houden. Ze raken heel snel verveeld. Dat moet je zien te voorkomen.
Dit is een artikel uit DIGIFOTO Pro 4.2025 en is geschreven door Dré de Man.
Bij de productie van speelfilms en series wordt daarom een kapitaal uitgegeven om ervoor te zorgen dat het er allemaal spannend en afwisselend uitziet. Bij een YouTube-filmpje van dertig seconden kan het heel wat goedkoper, maar de principes en technieken zijn wel dezelfde. Het draait allemaal om beweging en afwisseling. Dat betekent dus: laat de camera bewegen en wissel de beelden af.
Lopen tijdens het filmen wordt gemakkelijker met toebehoren, maar het kan ook gewoon terwijl je door de zoeker kijkt of op de camera monitor. Let er in ieder geval altijd op dat je niet struikelt over zaken die je niet door de zoeker ziet of op een monitor ziet, zoals een stoeprand!
Standpuntwijziging
De eenvoudigste manier om voor afwisseling te zorgen, is om de camera met statief en al op te pakken en ergens anders neer te zetten en vanaf die plaats verder te filmen. Je moet er uiteraard wel opletten dat die wijziging enigszins logisch is. Bij het filmen vertel je namelijk een verhaal. Als je dus een ander standpunt inneemt, moet dat voor de kijker aannemelijk zijn. Wanneer er een interactie plaatsvindt tussen twee personen, dus meestal een gesprek, dan heb je ook nog de 180 graden-regel. Die zegt dat wanneer je een lijn tussen die personen trekt (180 graden), de camera aan één kant van die lijn moet blijven. Die wordt niet meer strikt gehandhaafd, maar het principe blijft dat je de kijker niet in verwarring moet brengen. Zit persoon A op het ene moment nog helemaal links en B rechts en het volgende moment precies omgekeerd, dan is dat meestal verwarrend. Zoiets kun je op allerlei manieren vermijden, maar je moet er dan wel over nadenken. Vaak is het handig om hiervoor twee of meer camera’s te gebruiken, de technische aspecten daarvan behandelen we nog in een apart volgend artikel.
Verandering van brandpuntstandpunt
Nauw samenhangend met de standpuntwijzigingen, is de wijziging van brandpuntsafstand. In Hollywood heb je daar zelfs vaste uitdrukkingen voor. Bij een ‘wide shot’ zul je de camera iets verder weg zetten en een groothoek gebruiken. Maar je kunt vanaf die positie ook een flinke tele gebruiken, dan krijg je een ‘long shot’ met een heel ander effect. ‘Close-ups’ maak je uiteraard ook met een tele maar dan van iets dichterbij. ‘Medium shots’ eerder met een 35mm of standaardobjectief en opnamen van twee mensen met een standaardobjectief of een heel lichte tele. Ook hier kan het weer heel handig zijn om meerdere camera’s te gebruiken.
Een statief met panoramakop en speciale hendel, die het gebruik ervan zonder schokken mogelijk maakt.
Beweging
- De meest subtiele beweging pas je toe bij de bewerking: het Ken Burns-effect. Daarbij zoom je dan digitaal heel langzaam in. Zo’n zoombeweging kan minutenlang duren, zoals in de Japanse film Norwegian Wood. De kijker ziet het nauwelijks of niet maar wordt toch geïntrigeerd doordat er iets verandert, al neemt hij dat niet altijd bewust waar. Sommige objectieven hebben ook een motorzoom. Soms kunnen zelfs camera’s digitaal zoomen tijdens het filmen, bij Nikon heet het Hires zoom. Je kunt natuurlijk ook handmatig zoomen, maar vaak ziet dat er een beetje klungelig uit doordat het snel en schokkerig gaat. Met een hendel of soms ook met één vinger gaat het al beter.
- Panorama: je draait de camera om zijn eigen as, of beter: om de as van het statief. Uiteraard lukt dat het best met een panoramakop en er zijn speciale panoramakoppen voor film met een extra lange hendel.
- Tilt: het zusje van pan, alleen draai je de camera nu om de andere as. Anders gezegd: je gebruikt de panoramakop om de camera omhoog en/of omlaag te bewegen.
- Pan + tilt: je kunt ook beide combineren. Zeker in dat geval is een schommelkop een handig accessoire.
- Dolly: dat is een hele oude Hollywood-methode. Je gebruikt een wagentje waarop je de camera plaatst (of desnoods wielen aan de statief benen) en duwt de camera terwijl je filmt. Daarvoor kun je ook een winkelwagentje of zelfs een rollator gebruiken.
- Truck: De benaming is niet zo handig, maar het komt erop neer dat je de camera over een weg of idealiter over rails laat bewegen, dus in een rechte lijn. Levert mooie beelden op wanneer het onderwerp óók in een rechte lijn beweegt. Film je van uit een auto, kies er dan een met goede vering, liefst zelfs een (oude) Citroën met hydropneumatische vering.
- Pedestal: podium. In feite plaats of beweeg je de camera als geheel op en/of neer zonder panoramakop. Sommige statieven hebben ook een slinger waarmee je dit effect met enige oefening kunt bereiken.
- In professionele films zie je wel kleine platforms gemonteerd op een kraanarm die allerlei kanten op kan bewegen. Er is nu ook software die deze bewegingen stuurt en het kan zelfs ook met onbemande camera’s. Voor een belangrijk deel kun je hetzelfde effect bereiken met een drone, zie verderop.
- Over de schouder: uit reportages kennen we het effect van de camera die op de schouder wordt geplaatst om zo al lopend te filmen. Minder bekend is dat we dit effect óók zien bij de meeste actiebeelden, dus wanneer iemand achtervolgd wordt, al wordt de camera daar ook vaak anders vastgehouden.
- Uit de hoogte: vanuit een hoog standpunt krijg je vaak bijzondere beelden waarbij de persoon in kwestie als het ware gerelativeerd wordt. Dat bereik je door vanaf een heuveltop of een hoog gebouw te filmen. Tegenwoordig kun je daarvoor ook een drone gebruiken die dan ook nog eens bewegingen toevoegt. Drones hebben ook een gimbal, die verderop.
De Nikon Z6III met de Nikkor Z 28-135mm f/4 PZ. PZ staat voor powerzoom, dus een gemotoriseerde zoom. Nikon-camera’s als de Z8 en Z6III hebben bovendien Hires-zoom, en kunnen dus ook nog eens digitaal zoomen tijdens het filmen. De derde optie om heel gelijkmatig te zoomen is dan zoomen bij de bewerking.
Stabilisatie en gimbal
Behalve bij panorama’s en tilts (maar ook daarbij moet je oppassen) is het gevaar heel erg groot dat je erg onrustige beelden krijgt. Heel soms is dat gewenst (bijvoorbeeld in actiefilms) maar meestal is het storend. Gelukkig hebben we meerdere oplossingen.
- Gimbal
De eerste is een gimbal, oftewel een cardanische ophanging zoals bij een kompas. Dat is dus een soort driedubbel scharnier waarbij bewegingen in drie richtingen tegengegaan worden. Je hebt ze in allerlei uitvoeringen, van heel grote elektronische die enorme gewichten kunnen dragen tot eenvoudige mechanische.
- Stabilisatie
Die bestaat weer in twee vormen: elektronische beeldstabilisatie en actieve stabilisatie. Die laatste kennen we van de fotografie: de camerasensor en/of een of meerdere lenselementen bewegen tegengesteld aan de bewegingen van de camera en dat is heel effectief. Bij film kennen we echter ook nog de elektronische stabilisatie. Die komt erop neer dat niet de sensor, maar de beelduitsnede (elektronisch) beweegt. Dat helpt natuurlijk niet tegen bewegingsonscherpte, maar het gaat het schokken van de beelden wel tegen. De camera kan dat doen, maar je kunt het (bovendien) nog eens doen in de bewerkingssoftware. Dat laatste is vrij effectief maar kost wel vrij veel bewerkingstijd. Combineer je deze methoden dan kom je ook zonder gimbal een heel eind, maar het filmen terwijl je loopt is een gimbal wel heel gewenst.
Montage en meerdere camera’s
Deze onderwerpen bespreken uitvoerig in afzonderlijke volgende artikelen. In het kort komt het erop neer dat alle technieken die we hier besproken hebben, vaak handiger toe te passen zijn wanneer je meer dan één camera gebruikt. Zo heb je dan bij de montage de keus. Je kunt natuurlijk wel van te voren alles inplannen, maar vaak kom je al filmend toch nog tot andere inzichten. De montage zorgt er ook voor dat het effect van afwisseling en spanning – daar was het immers allemaal om te doen – geoptimaliseerd wordt. Hoe lang je het beeld vanuit één positie moet vasthouden is moeilijk ter plekke te bepalen. Maak opnamen die iets te lang zijn – mogelijk ook voor de synchronisatie. Bij de montage kun je dan spanning en rust optimaal doseren. Want hoe gek het ook klinkt: ook de afwisseling moet je afwisselen.
Conclusie
Bij film draait alles om beweging en afwisseling. Daar moet je van te voren over nadenken en dat begint al met de kardinale vraag of je een rustige of snelle film wil maken. Heb je die vraag beantwoord dan staat er gelukkig een enorm aantal middelen tot je beschikking om het tempo van de film heel precies te bepalen.
Heb je de vorige delen gemist? Klik hier voor deel 1, hier voor deel 2, hier voor deel 3, hier voor deel 4 en hier voor deel 5.