Wildlife-fotografie: dieren in hun omgeving fotograferen

Redactie DIGIFOTO Pro 1599

Voor het fotograferen van wilde dieren is de zware telelens wel zo’n beetje het standaardobjectief. Daar zijn goede redenen voor, maar soms is het beter om toch een stapje terug te doen, en meer van de omgeving mee te nemen.

Dit artikel is geschreven door Johan Elzenga en is gepubliceerd in DIGIFOTO Pro 3.2022

Bij wildlife-fotografen (fotografen die zich gespecialiseerd hebben in het fotograferen van wilde dieren) is de zware telelens waarschijnlijk het belangrijkste onderdeel van de hele foto-uitrusting. Fotografeer je vooral zoogdieren, dan is een 400mm (bij full frame) al snel vrij normaal, fotografeer je veel kleine dieren en vogels, dan draait zo’n fotograaf zijn hand zelfs niet om voor een 600mm objectief. Dankzij zeer goede 150-600mm zooms van Tamron en Sigma hoeft zo’n objectief ook geen vermogen te kosten. De reden waarom wildlife-fotografen zo vaak naar die telelens grijpen ligt voor de hand. Om te beginnen zijn de meeste dieren relatief schuw, waardoor je er niet zo dichtbij kunt komen. Erg dichtbij komen werkt vaak verstorend, dus een fotograaf met hart voor de natuur houdt daar ook rekening mee. Daarnaast geeft het fotograferen van een afstandje met een lange brandpuntsafstand ook een mooi effect. Het dier wordt geïsoleerd van de achtergrond, omdat de achtergrond onscherp blijft. Daardoor krijgt het alle aandacht; er is niets dat de kijker afleidt. Het klassieke principe, dat ook bijvoorbeeld in de portretfotografie wordt toegepast.

Het klassieke gebruik van een telelens. De achtergrond blijft onscherp, waardoor de vogels (vorkstaartscharrelaars) mooi “los” komen van die achtergrond en de aandacht volledig op de vogels komt te liggen.

‘De foto wordt zo wel meer een landschapsfoto waarin een dier te zien is dan een dierenfoto, maar dat geeft natuurlijk niets’

Het enige nadeel van deze manier van fotograferen is dat het snel voorspelbaar, en daardoor wat saai wordt. “Biologieboekjesfotografie” wordt het ook wel genoemd, omdat de foto perfect geschikt zou zijn als illustratie in een biologieboekje, maar verder snel gaat vervelen. Vandaar dat de meer ervaren dierenfotograaf het dan vaak in diergedrag gaat zoeken. Het wordt dan meer actiefotografie, waarbij het juiste moment van groot belang wordt. Geen vogel meer die op een takje zit, maar vliegende vogels. Geen portretjes van zoogdieren, maar vechtende of jagende dieren. Een dosis geluk is dan wel nodig, want de natuur is zeker niet één groot actiedrama. De meeste tijd gebeurt er weinig of niets, en gedragen bijvoorbeeld dieren in Afrika zich niet spectaculairder dan koeien in een Nederlandse wei.

Omdat portretjes met een onscherpe achtergrond snel saai worden, proberen de meeste wildlife-fotografen vooral actie te fotograferen.

Omgeving

Een heel andere manier om je dierenfoto’s interessanter te maken, en een manier waarbij de factor geluk een veel minder belangrijke rol speelt, is om de omgeving van het dier mee te nemen en daarmee een verhaal te vertellen. Dat heeft als bijkomend voordeel dat je niet altijd de langste telelens nodig hebt, al betekent “omgeving meenemen” niet per definitie dat het dier relatief klein op de foto wordt gezet. Soms is dat wel zo, dus laten we daarom eens met een extreem voorbeeld beginnen. De Ngorongoro Crater in Tanzania staat op de lijst van Werelderfgoed van de UNESCO. Het is de grootste intact caldera ter wereld die niet met water is gevuld. De krater heeft een doorsnede van ongeveer 20 kilometer en een diepte van zo’n 600 meter. Op de kratervloer is een rijke dierenwereld, inclusief de befaamde “big five” (olifant, neushoorn, leeuw, luipaard, buffel). Hoe fotografeer je dat nu zo dat de kijker in één foto dat imposante geheel te zien krijgt? Ik koos ervoor om een deel van de kraterwand te laten zien, met een piepkleine olifant (juist omdat dit het grootste dier in de krater is) die door die kraterwand een dwergje wordt. De foto wordt zo wel meer een landschapsfoto waarin een dier te zien is dan een dierenfoto, maar dat geeft natuurlijk niets. Ik had ook veel dichter naar die olifant toe kunnen gaan, en dan met iets meer groothoek toch hetzelfde deel van de kraterwand op de foto kunnen krijgen. Dat leek me hier echter verkeerd. Juist door die olifant zo klein te houden, krijg je pas echt het idee hoe imposant de krater is.

Een olifant wordt bijna een dwergje tegen de imposante kraterwand van de Ngorongoro Crater in Tanzania. Dit is natuurlijk meer “landschapsfotografie met een dier” dan “dierenfotografie”, maar wat geeft dat?

De foto van een groep olifanten in het landschap is een iets minder extreem voorbeeld. Dit is in eerste instantie een foto van olifanten, daarna pas een landschapsfoto. De combinatie vertelt de oplettende kijker echter veel meer dan wanneer ik slechts één dier had gefotografeerd met een telelens. Je ziet nu niet alleen hoe de leefomgeving van de dieren is, en dat deze foto genomen is in een tijd met voldoende voedselaanbod, maar je ziet bijvoorbeeld ook dat de kudde kennelijk net door een rivier is gegaan. De onderkant van de grote dieren is nat, zodat je exact kunt zien hoe diep die rivier was. De jonkies moesten echt zwemmen, die zijn van top tot teen nat. Kortom, met een beetje fantasie zie je ze bijna nog die rivier oversteken. Je kunt je ook afvragen waar ze zo vastberaden naar toe onderweg zijn. Voedsel is er genoeg, dus dat is het niet. Water is het kennelijk ook niet, want daar komen ze net vandaan. Zijn ze soms op weg naar een zogenaamde “salt lick” (een plek waar ze zout kunnen vinden)? Door dit soort vragen blijf je langer naar zo’n foto kijken en wordt die interessanter.

Een kudde olifanten trekt door het landschap. Waar zijn ze naar onderweg? Ze zijn zelfs al door een rivier gegaan, gezien die natte buiken. Juist door meer omgeving te laten zien, vertelt de foto een verhaal.

‘Als ik een humoristische foto op mijn Facebook-pagina zet, is het aantal likes gemakkelijk het dubbele van wat ik bij een “gewone” foto meestal heb’

Luipaarden liggen vaak in bomen. Ze hebben er minder last van vliegen, hoeven minder op hun hoede te zijn voor gevaar (voornamelijk van leeuwen en hyena's) en het is er koeler. Vaak zie je dat de fotograaf zo sterk mogelijk inzoomt op het dier, en slechts een stukje tak meeneemt om te laten zien dat het in een boom ligt. Bij deze foto wordt het luipaard veel meer een onderdeel van het imposante landschap en snap je eigenlijk ook veel beter waarom het dier in de boom klimt en niet eronder in de schaduw blijft liggen.

Een luipaard bekijkt de wereld vanaf een veilige uitkijkpost.

Tenslotte nog een foto waarbij het landschap misschien niet zo veel zegt over de vogel (een zogenaamde “Bischop”), maar gewoon een prachtige decoratie vormt. Zo’n fel rood vogeltje is op zich al prachtig, maar daardoor loop je juist het risico dat je geen oog meer hebt voor de omgeving en er daardoor weer zo’n steriele “biologieboekfoto” van maakt. Dat patroon van de groene takjes tegen een eveneens groene achtergrond maakt dat de rode vogel er extra mooi uitspringt.

Zo felrood vogeltje is natuurlijk op zich al prachtig, maar door het patroon van de groene takjes wordt het meer dan alleen weer zo’n “biologieboekfoto”.

Gedrag accentueren

Je kunt ook (een stukje van) de omgeving gebruiken om typisch gedrag van een dier te accentueren. Daarvoor hoef je zeker geen grote stukken van die omgeving te gebruiken, je kunt dit ook doen als je met een telelens bezig bent om een portretje te schieten. De foto van een etende giraf is het eerste voorbeeld. Giraffen hebben de langste nek van alle “browsers” (dieren die bladeren van bomen en struiken eten), maar toch proberen ze altijd net dat blaadje te pakken dat buiten hun bereik lijkt te hangen. Alsof ze die nek nog een beetje willen oprekken met strekoefeningen. Dat typerende gedrag maakt deze portretfoto van een giraffe in mijn ogen net iets interessanter dan als het een “gewone” portretfoto was geweest.

Een portretfoto van een giraffe, die het typische gedrag van het dier laat zien is net iets interessanter dan een ‘gewone’ portretfoto van dat dier.

Verkeerde been

Een hele leuke manier om een foto interessanter te maken is als je de kijker op het verkeerde been weet te zetten. Laten we eerst eens kijken naar de foto van vier puku’s bij de rivier. Een “puku” zegt je vermoedelijk niets, maar dat is een antilope die familie van de waterbok is. Waterbokken heten zo omdat ze altijd in de buurt van het water te vinden zijn. Het zijn goede zwemmers, die hun vijanden ontwijken door het water in te vluchten. Op deze foto zie je dat water ook op de achtergrond, al is het niet erg veel meer. De puku’s staan duidelijk op de zanderige oever van een rivier die droog begint te vallen, dus over een poosje zullen ze het moeilijk krijgen. Er zit dus weer een verhaal in de foto, dat meer vertelt dan een foto van alleen een groepje puku’s ergens in een bos of op de vlakte zou hebben gedaan. 

Een familie puku’s (een waterbok-soort) bij een opdrogende rivier. Omdat deze dieren zeer afhankelijk zijn van water, zullen ze het straks nog moeilijk kunnen krijgen als de rivier helemaal droog zou vallen.

Op een gegeven moment liep een jonge puku wat dichter naar mij toe, op een stuk zandplaat dat zo groot was dat ik hem kon isoleren in het zand. Er is nu geen rivier meer te zien, waardoor je ook de referentie verliest dat het zand van een rivieroever komt. Het lijkt nu opeens wel een woestijndier, midden in de Sahara! Er loopt echter ook een lelplevier (een soort kievit), en als je goed kijkt zie je zelfs een jong. Dat roept nog meer vragen op. Waar is dit? Wat doen die dieren daar in een wereld waar ze helemaal niet thuis lijken te horen? Zo gebruik je een uitgekiende uitsnede van de omgeving om de kijker op het verkeerde been te zetten, en vragen op te roepen.

Door de jonge puku zo te fotograferen dat je alleen maar zand ziet, lijkt het opeens een woestijndier te zijn geworden. Maar wat doet een lelplevier met haar jong daar in de woestijn?

De foto van een groep giraffen bij de rivier doet hetzelfde. Ook hier lijken de dieren een beetje in het verkeerde element. Dat schijnen ze zelf ook te vinden. De twee dieren die nog in de rivier staan (de hele groep kwam vanaf de overkant aanwandelen en stak de bijna drooggevallen rivier over) lijken ook een beetje besluiteloos in het water te staan. Alsof ze het opeens ook niet meer zo goed weten. Door dit soort kleine “verhaaltjes” blijf je langer naar de foto kijken.

Deze giraffen lijken ook een beetje uit hun element te zijn. De dieren in het water staan er een beetje besluiteloos bij, wat weer vragen oproept wat hier nu precies aan de hand is.


‘Een hele leuke manier om een foto interessanter te maken is als je de kijker op het verkeerde been weet te zetten’

Humor

Humor is altijd een ijzersterke methode om mensen in een foto te interesseren. Als ik een humoristische foto op mijn Facebook-pagina zet, is het aantal likes gemakkelijk het dubbele van wat ik bij een “gewone” foto meestal heb. Je ziet ook dat meer mensen zo’n foto doorplaatsen. Er zijn twee manieren om humor in de foto te krijgen. Allereerst kan het dier het zelf doen, door zijn gedrag. Daar moet je natuurlijk een beetje geluk voor hebben, maar het is vooral ook een kwestie van opletten wat er gebeurt. Je moet ook zien dat een bepaalde houding humoristisch kan zijn. Soms is het niet te missen. Leeuwen liggen graag in het warme zand van een droge rivierbedding. Vaak zoeken ze er echt een heel comfortabel plekje voor op. Ik noem mijn foto van een leeuwin die op haar rug in het zand ligt, met een poot omhoog zodat ze naar me lijkt te zwaaien, altijd “Duitse toerist op Nederlands strand”. Succes verzekerd!

Leeuwen liggen graag in het warme zand van een droge rivierbedding. Deze foto noem ik altijd “Duitse toerist op een Nederlands strand”.

Een andere manier is dat je humor toevoegt door je manier van fotograferen. De scene is op zich misschien doodnormaal, maar door een bepaalde uitsnede en een bepaald standpunt te kiezen kan je ervoor zorgen dat het resultaat een glimlach op de gezichten van de kijkers tovert. Een voorbeeld hiervan is de foto van een Afrikaanse wilde hond, die naar een nijlpaard staat te kijken. Het was een groepje van vijf honden, en deze hond keek gewoon toevallig een beetje die kant op. Door hem te isoleren van de rest van de groep en zo samen met het nijlpaard in beeld te brengen, ontstaat plotseling een ander verhaal. Je ziet die hond nu gewoon denken: wow, dat is een gigantische biefstuk! In werkelijkheid heeft een wilde hond geen enkele interesse in een nijlpaard (en andersom), want zo’n dier is veel te groot en te zwaar voor hem om te doden. Zelfs een grote groep honden zal echt geen nijlpaard aanvallen, maar dat maakt de foto alleen maar leuker.

Door de manier van fotograferen lijkt het net alsof deze Afrikaanse wilde hond denkt: Wat een grote biefstuk!

Conclusie

Als je dieren fotografeert, bedenk dan dat die dieren niet in isolatie leven. Zelfs dierentuinen proberen steeds meer om de dieren in hun natuurlijk habitat te laten zien. Gebruik zowel de directe omgeving als het weidsere landschap er omheen, om elementen van dat dierenleven toe te voegen. Je foto’s krijgen er beslist meer diepgang door.

Dit artikel is geschreven door Johan Elzenga en is gepubliceerd in DIGIFOTO Pro 3.2022

Lees ook: Help! Krassen op je objectief, einde verhaal? | DIGIFOTO Pro

Lees ook: Fotografie in het digitale tijdperk: hoe technologie voor uitdagingen zorgt | DIGIFOTO Pro

afbeelding van Redactie DIGIFOTO Pro

Redactie DIGIFOTO Pro | Redactie

Bekijk alle artikelen van Redactie